| Publicaties | |
|
|
|
De (re) integratie van Nederlandse expat-jongeren Door internationalisering en globalisering vestigen zich steeds vaker Nederlanders voor hun werk tijdelijk in het buitenland. Sommigen alleen, weer anderen met het hele gezin. Deze migranten of landverhuizers worden internationaal ‘expatriates', of ‘ expats' genoemd. In Amerikaanse sociologische onderzoeken geeft 64 % van de expats aan terugkeer naar hun thuisland moeilijker te vinden, dan een uitzending naar een ander land. Ruim 80 % van hen is getrouwd en 70 % heeft ook kinderen (Storti, 2001; Pollock en Van Reken, 1999). In dit onderzoek staat de (re)integratie van Nederlandse expat-jongeren centraal. Van Erp, en Deckers (1992) zinspelen op de culturele afstand tussen Nederland en niet-westerse landen, vooral voor Nederlandse jongeren die geen Nederlands onderwijs volgden, als oorzaak van aanpassingsproblemen in Nederland. Kunst et al (1996) schrijven over een aantal fundamentele en karakteristieke discrepanties voor Nederlandse expat-jongeren na terugkeer in Nederland. Oppenheim en van Berckelaer-Onnes (1999) merken op, dat expat-jongeren veelal de behoefte hebben aan contacten met gelijkgestemden, en dat de oorzaken van (re)integratieproblemen bij wellicht eerder in Nederland dan in het buitenland gezocht dienen te worden. Deze onderzoeken plus gesprekken met Nederlandse expat-jongeren hebben geleid tot volgende probleemstelling: “Hoe komt het dat de ene Nederlandse expat-jongere die een groot deel van zijn/haar leven in het buitenland heeft doorgebracht wél problemen ondervindt bij (re)integratie in de Nederlandse maatschappij en de andere Nederlandse expat-jongere niet?” Om de mate van integratie van respondenten na één jaar terug in Nederland te meten, staan de afhankelijke variabelen ‘Welbevinden in het buitenland', ‘Welbevinden de eerste maand in Nederland' en ‘Welbevinden nu in Nederland' centraal. De beoordeling kan variëren van 0 tot 10. Het cijfer 0 staat voor heel slecht en 10 voor uitstekend. De achtergrondvariabelen geslacht, plaats in de kinderrij, het aantal jaren in het buitenland, leeftijd bij terugkeer, afgezet tegen de afhankelijke variabele ‘Welbevinden' vormen een profiel van de respondenten in dit onderzoek. Met behulp van de vier dimensies machtafstand, identiteit, masculiniteit en onzekerheidsvermijding en de daarbijbehorende indexscores is de culturele afstand tussen Nederland en andere landen gemeten. Daarnaast zijn de culturele aspecten Nederlandse taal, vreemde talen, de rol van de media en communicatiemiddelen en de bekendheid met typische Nederlandse factoren onderzocht. Vervolgens is de invloed van de onafhankelijke variabelen leefomgeving, onderwijs en sociaal kapitaal in zowel het buitenland als in Nederland onderzocht. Bij de statistische bewerkingen is voornamelijk gebruik gemaakt van gemiddelden toetsen en correlaties en hebben tot de volgende conclusies geleid. Van de 150 reacties bleken de data van 108 respondenten bruikbaar te zijn. Conclusies Het is niet zozeer het verschil westerse of niet westerse culturen, of de culturele afstand tussen Nederland en andere landen, die de mate van welbevinden een daarmee het (re)integratieproces van Nederlandse expat-jongeren beïnvloedt. In dit onderzoek spreken de jongeren onverbloemd een voorkeur uit voor collectivistische samenlevingen boven individualistische samenlevingen, landen met een hogere machtafstand boven landen met een lagere machtafstand en feminiene maatschappijen boven masculiene maatschappijen. Deze kenmerken kunnen betrekking hebben op zowel westerse als niet-westerse samenlevingen. Tot dusver gaan Deckers en Van Erp (1992), Kunst et el. (1996), Oppenheim en Van Berckelaer-Onnes (1999) er van uit dat (re)integratieproblemen na een leven in niet-westerse landen, voornamelijk veroorzaakt worden door de cultuurverschillen tussen Nederland en de niet-westerse landen. Dit omdat zij verwachten dat expat-jongeren in deze landen meer te maken krijgen met andersoortige culture aspecten. In dit onderzoek komt echter naar voren, dat respondenten in westerse landen - via de leefomgeving en het onderwijs - meer met het lokale leven en haar typische culturele aspecten te maken hebben gehad, dan respondenten in niet-westerse landen. Respondenten in niet-westerse landen wonen veelal op compounds en bezoeken meestal internationale of Nederlandse scholen: zij zijn meer op het internationale en Nederlandse leven georiënteerd, dan op de lokale situatie. Uit de analyse van dit onderzoek blijkt bovendien dat de leefomgeving en het type onderwijs in het buitenland weinig of geen effect hebben op de (re)integratie van de expat-jongeren. Het verschil wordt eerder gemaakt door de leefomgeving en het type onderwijs in Nederland zelf. Voor jongeren die met het gezin terugkomen, verandert het minst en voor jongeren die zelfstandig gaan wonen het meest. Jongeren die naar een internaat gaan, missen de hechte gezinsband, maar hebben wel contact met gelijkgestemden. Gezinsband en gelijkgestemden: twee cruciale factoren bij de (re)integratie (Oppenheim en Van Berckelaer-Onnes, 1999; Van Berckelaer-Onnes en Sigmond-de Bruin, 1992). Daarnaast maakt het een verschil of jongeren in Nederland voor Nederlands of internationaal onderwijs kiezen. Jongeren die naar internationale scholen gaan voelen zich sneller thuis in Nederland, dan jongeren die naar Nederlandse scholen gaan. Verdichten & vervlechten (Burgers, 2002). Het internationale onderwijs komt immers het meeste overeen met wat zij gewend waren, én, zij hebben daar meer kans gelijkgestemden te ontmoeten (Oppenheim en Van Berckelaer-Onnes, 1999; Van Berckelaer-Onnes en Sigmond-de Bruin, 1992). Waar expat-ouders en begeleiders vaak onvoldoende bij stilstaan, is dat expat-jongeren zich nauwelijks bewust zijn van verschillen tussen Nederland en hun gastland(en). De omgeving waarin zij opgroeien, vormt immers hun referentiekader. Zij gaan pas verschillen zien, als zij van het ene land naar het ander land verhuizen. In het buitenland hebben deze jongeren de positie van allochtoon. In Nederland, hun paspoortland, worden zij automatisch autochtoon: maar, in hoeverre voelen zij zich ook Nederlander? De respondenten en informanten in dit onderzoek zijn allemaal Nederlandse kinderen. Zij spreken de Nederlandse taal, zij zijn op de hoogte van Nederlandse waarden en normen, zij zijn bekend met Nederlandse culturele aspecten, alleen hebben zij niet alle jaren van hun leven in Nederland doorgebracht. Ook al hebben zij in het buitenland keurig Koninginnedag en Sinterklaas gevierd, zij voelen zich bijzonder onwennig als zij de Nederlandse samenleving induiken: “Van allochtoon naar autochtoon brengt een verschil in verwachtingspatroon.” Of zoals veel Nederlanders zeggen: ”Je bent nu weer in Nederland, doe nu maar weer gewoon!” Gewoon? Wat is gewoon? Expat-jongeren zijn zich zeker in eerste instantie nauwelijks bewust van verschillen tussen Nederland en hun gastland(en). Expat-jongeren ontlenen, zoals alle jongeren, hun identiteit aan het sociale netwerk waarvan zij deel uitmaken. Expat-jongeren denken, waarschijnlijk door het hechte gezinsleven en de besloten leefgemeenschappen in het buitenland, in termen van ‘wij' (collectivisme). In Nederland, één van de meest individualistische landen van de wereld, heerst de veronderstelling dat jongeren hun identiteit aan zichzelf ontlenen. De oer-Hollandse jongeren denken eerder in termen van ‘ik' (individualisme). In de interviews zeggen alle informanten in min of meer met gelijke bewoordingen:”Ik wilde er bij horen.” Bij de kwantitatieve data drukt ‘geaccepteerd voelen' een stempel op het welbevinden van de onderzoeksgroep in zowel het buitenland, de eerste maand in Nederland en nu in Nederland. In het expat-gezin, op internaat, maar ook op de internationale scholen ontmoeten expat-jongeren gelijkgestemden. (Pollock, Van Reken, 1999; Burgers, 2002). Op Nederlandse scholen zijn zij daarentegen eerder een buitenbeentje (Oppenheim, Van Berckelaer-Onnes, 1999). Expat-jongeren die geholpen worden bij het vinden van ‘de normale gang van zaken in Nederland', zullen zich eerder thuisvoelen. Zij vallen dan immers minder snel op en zij zullen zich dan ook minder snel buitengesloten oftewel een buitenbeentje voelen. Aanbevelingen Ouders zouden in overweging kunnen nemen welke type onderwijs voor hun kind(eren) het beste is. Gezinnen die veelal in het buitenland verblijven, kunnen beter voor internationaal onderwijs kiezen. Er zijn in de wereld meer internationale dan Nederlandse scholen. Bovendien bieden in toenemende mate instituten in Nederland, tweetalig onderwijs aan. Bijvoorbeeld IGO scholen zijn basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs die in Nederland speciaal zijn opgericht, om aan Nederlandse en buitenlandse kinderen van internationale organisaties tweetalig onderwijs te geven. Zodanig dat: “ (…) leerlingen van Engelstalig onderwijs in het buitenland over kunnen stappen op volledig Nederlands onderwijs, of dat de leerlingen zoveel Nederlands leren, dat zij tijdelijk of permanent deel kunnen nemen aan de Nederlandse samenleving.” ( Stichting Europees Platform voor Nederlands Onderwijs, 1996, p.7). De tendens nu is om op deze scholen buitenlandse directieleden aan te stellen. In het belang van de Nederlandse taal en cultuur is echter evident, dat deze scholen altijd door een Nederlandse directeur geleid dienen te worden. Gezien het feit, dat deze scholen zwaar door de Nederlandse overheid worden gesubsidieerd, is deze eis niet onbillijk. Het is voor jongeren belangrijk, dat zij vooral het eerste jaar na een verhuizing, in een herkenbare situatie terechtkomen en in de nabijheid van gelijkgestemden. IGO scholen moeten om die redenen altijd specifiek voor Nederlandse expat-jongeren toegankelijk blijven. Expat-jongeren die naar internationaal georiënteerde scholen gaan, moeten gestimuleerd worden om daarnaast aansluiting te zoeken bij het Nederlandse verenigingsleven. Zo worden eventuele discrepanties met de Nederlandse samenleving op ongedwongen wijze ingevuld. Enkele respondenten noemde het zelf al:”Meer informatie geven.” Het is inderdaad belangrijk dat de ouders bij aanmelding op een school in Nederland, informatie geven over het expat-leven voor Nederlandse jongeren in het algemeen en voor hun kind(eren) in het bijzonder. Misschien is het voor school mogelijk, om het eerste jaar een raadspersoon aan te wijzen: volwassene óf medeleerling, met een lichte voorkeur voor een leeftijdsgenoot. Opvallend is dat respondenten aangeven bij voorbereidingen voor de terugkeer naar Nederland, amper gebruik gemaakt te hebben van Internet (27,8 %) en van literatuur (35,3 %). Het aanbod van informatie via Internet, maar ook literatuur is inmiddels aanzienlijk uitgebreid. Er is de laatste jaren in Nederland veel onderzoek gedaan naar het expatleven. Daarnaast heeft bijvoorbeeld de Wereldomroep een uitstekende website opgezet: WereldEXPAT en zenden BVN (NL televisie) en Radio Nederland Wereldomroep dagelijks programma's uit: óók voor jongeren. Oudere Nederlandse expat-jongeren die zich zelfstandig in Nederland vestigen om te studeren of te werken, kunnen via Stichting de Vliegende Hollanders contact zoeken met gelijkgestemden: leeftijdsgenoten die het (re)integratieproces doormaken of hebben doorgemaakt. |
|
Migratie mág geen alleenrecht van westerse landen zijn! Prof. H. Entzinger schreef in 2004 al: ”Migratie zal niet stoppen!” (NRC; 16.01.2004). Migratie en internationalisering zijn niet van de laatste tijd. Zij zijn uitvloeisels van eeuwenlange processen waarin tussenmenselijke bindingen zich over steeds grotere geografische afstanden hebben uitstrekt, en daarmee ook steeds meer en steeds verder over staatsgrenzen heen reiken. (Van Hoof et al, Sociologie en de moderne samenleving, 1996). Inderdaad wonen en werken steeds meer Nederlanders tijdelijk in het buitenland. Niet alleen diplomaten en militairen, maar ook wetenschappers, voetballers, EU politici, zendelingen, leerkrachten, ontwikkelingswerkers, medewerkers van internationale bedrijven et cetera. Daarnaast wil een groeiende groep Nederlandse jongeren in het buitenland studeren: zowel studenten van HBO en Universitaire opleidingen, als leerlingen van het VWO (zie UWC Maastricht ). Weer andere jongeren storten zich na het behalen van hun einddiploma in het avontuur en gaan op wereldreis. Sinds de jaren '90 van de vorige eeuw groeit in Nederland het aantal IGO scholen (IGO=Internationaal Georiënteerd Onderwijs) gestaag. Op deze scholen voor basis (IGBO) en voorgezet onderwijs (IGVO) wordt in het Nederlands en Engels les gegeven aan Nederlandse en buitenlandse kinderen uit het internationale circuit. Tegenwoordig streven universiteiten naar internationale afdelingen. In Utrecht en Middelburg zijn zelfs internationale colleges opgericht. Samengevat: Nederland en Nederlanders nemen volop deel aan het proces van migratie en internationalisering. In onze moderne wereld moet dit geen probleem zijn: vrijwel alle landen in de wereld willen immers internationaliseren. Migratie en internationalisering mogen echter nooit het alleenrecht van westerse landen zijn. Dit soort processen hebben alleen kans van slagen, als er sprake is van wederkerigheid. Inwoners van de arme landen worden door contacten met westerse expats - mensen die voor hun werk tijdelijk in het buitenland wonen - en de internationale media op ideeën gebracht: waarom zouden zij óók niet op zoek gaan naar werk buiten hun regio? Deze initiatieven worden in Europa lang niet altijd geapprecieerd. Sommige Europese landen roepen zelfs om een migratiestop voor migranten uit niet-westerse landen. Maar …, kan dat wel? Een migratiestop voor niet-westerse landen betekent immers ook een barrière voor de internationalisering van de westerse landen. Overigens, zou een migratiestop de migrantenstromen echt keren? Sommige Nederlanders veroordelen en beoordelen buitenlanders zonder dat zij op de hoogte zijn van de levensomstandigheden in de verschillende landen. Bijvoorbeeld: In de meeste arme landen kunnen burgers in het gunstigste geval een baan kópen. Daarvoor moeten zij jarenlang een deel van hun salaris aan een werkgever of bemiddelaar afstaan. Dit is de verklaring waarom mensen uit arme landen bereid zijn om grote sommen bij elkaar geschraapt geld aan mensensmokkelaars te betalen: het is véél duurder, maar zij krijgen daarmee wel véél meer kansen. Zij hebben weinig te verliezen, want in hun vaderland is nauwelijks of helemaal géén werk. Als het lukt in een rijk land te komen, dan kan een hele gemeenschap daarvan mee profiteren: de meeste migranten sturen namelijk geld naar het thuisland. De migrantenstromen hoeven voor Europa helemaal geen probleem te zijn, mits de overheid bereid is deze stromen te reguleren. Dit kan net zoals bij de westerse expats, door hoogopgeleide en laagopgeleide arbeidskrachten een tijdelijk contract - bijvoorbeeld maximaal vijf jaar - aan te bieden. Regulering kent voor zowel de rijke als de arme landen veel voordelen. Dankzij het tijdelijke contract veroorzaakt het vertrek naar Nederland (of een ander rijk land) geen blijvende braindrain voor het land van herkomst. Bovendien kunnen rijke landen zo op praktische wijze, controleerbare ontwikkelingshulp creëren. Zij kunnen bijvoorbeeld migranten uit arme landen volgens internationale normen bijscholen. Na vijf jaar geven ze de “niet-westerse expats” een internationaal en waardevol certificaat mee. Naast het aangepaste salaris - dat wil zeggen: na verrekening van huisvesting, levensonderhoud, verzekeringen et cetera in Nederland - krijgen deze werknemers een gemeenschappelijk fonds mee voor de infrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg en dergelijke in het land van herkomst. Dit fonds zou opgebouwd kunnen worden uit een gedeelte van het verschil tussen salaris in het rijke land en het modale inkomen in het land van herkomst. Iedere groep krijgt een groepsleider die, zowel vóór het vertrek naar - in ons geval - Nederland, als tijdens het verblijf in Nederland en na terugkeer in het oorspronkelijke land communiceert en coördineert met de werkgever(s), de overheid en de geselecteerde arbeidskrachten. Migranten die tóch via malafide bemiddelaars proberen naar westerse landen te komen, krijgen een boete en zijn de eerste vijf à tien jaar vrijwel kansloos om aan een gereguleerde uitzending deel te nemen. Als er veel illegale pogingen vanuit één regio worden waargenomen, wordt de desbetreffende streek voorlopig buiten spel gezet. Regulering van migratie kent voor rijke landen onder meer de volgende voordelen: invulling van langdurige vacatures, geen problemen rondom integratie, minder vraag naar woningen, minder noodzaak tot uitbreiding van infrastructuren. Wat ook belangrijk is, dat zo op humane wijze gehoor gegeven wordt aan de oproep van inwoners van westerse landen waaronder Nederland, die luid schreeuwen: “Ons land is vol! De grenzen moeten dicht.” Dankzij de regulering kunnen zowel de hoogopgeleide als laagopgeleide buitenlanders: de au-pairs, verpleegsters, studenten, wetenschappers, voetballers, leerkrachten, medewerkers van internationale bedrijven et cetera, op tijdelijke contracten ons land binnenkomen. De meeste van hen zullen na een aantal jaren werken, geld sparen en expertise opbouwen, graag als gevierde landgenoot naar hun vaderland terugkeren (terzijde: net zoals de Nederlandse expats). De grenzen hóeven dus niet dicht. Nederlandse werkgevers, universiteiten, hogescholen, ziekenhuizen en dergelijke kunnen gemakkelijker aan werkvergunningen voor buitenlands personeel komen. Nederland heeft internationale verdragen gesloten met onder andere UNHCR. We móeten daarom bij het debat duidelijk onderscheid maken tussen asielzoekers en migranten. Asielzoekers uit oorlogsgebieden mogen nooit geweerd worden. Migratie en internationalisering zijn uitvloeisels van eeuwenlange processen. Deze processen hebben in onze tijd alleen kans van slagen als er sprake is van wederkerigheid. Daarom: laat de Nederlandse regering in samenwerking met de andere Europese landen proberen de wereldwijde migratiebewegingen in goede banen te leiden: ook niet-westerse migranten hebben immers recht op internationaliseren! |
|
“EXPAT KIDS vinden Nederland een koud land in alle opzichten.” Verborgen immigranten Hun vaders en moeders werkten in Zaïre, Amerika of Taiwan. Zij groeiden op met bedienden en bezochten een internationale school. Terug in Nederland wachtte een ongastvrij, koud en hard land. Denk echter niet dat de expatkinderen hun kroost voor de Hollandse cultuurschok willen behoeden. Door Mirjam Vossen Nederlanders zijn onvriendelijk en hard voor elkaar. Zo dacht Querine van Grinsven (28) over haar landgenoten. Twaalf jaar geleden woonde Van Grinsven voor het eerst in Nederland. Haar wieg stond in Egypte. Haar jeugd bracht ze door in Peru, Engeland, Zaïre en Amerika. Van Grinsvens moeder werkte op het Ministerie van Buitenlandse Zaken en wisselde elke paar jaar van post. Op haar zestiende vond Van Grinsven het welletjes. "Ik zei tegen mijn familie: ik ben wel Nederlandse, maar ik ken de taal en cultuur niet. Ik ga in Nederland wonen. Ze vertrok en maakte haar middelbare school af op een internaat in Den Haag. De cultuurschok was echter groot. Nederlanders bleken ongastvrij en onvriendelijk. Nederland zelf was koud. "Ik moest heel erg wennen." Ook diplomatenkind Carl Dhomen (25) -Duitsland, Rusland, Kenia, Costa Rica, Turkije en Pakistan- kreeg een koude douche. Op zijn achttiende verhuisde hij in zijn eentje naar Nederland en ging studeren aan het luchtvaartcollege in Hoofddorp. Nederland dacht Dhomen te kennen van zijn vakanties bij oma. Dat viel dus tegen. "De eerste drie jaar waren hartstikke moeilijk. 'Daten', uitgaan, het studentenleven. Wist ik veel wat het was. Ik kende mijn limiet van alcohol niet en ik moest erg wennen aan de Nederlandse openheid over seks en homo's. Dat had je in Turkije en Pakistan niet. Bovendien komen mensen hier niet naar je toe. Je moet alles zelf doen. Ik raakte behoorlijk geïsoleerd." Voor Stefan Mol (*?*) was Nederland minder vreemd. Hij groeide hier op. Op zijn twaalfde verhuisde hij naar Amerika en vervolgens naar Taiwan. Maar toen hij op zijn 18 e terugkeerde om psychologie te studeren, kon ook Mol zijn draai niet goed vinden. "In Taiwan was ik voortdurend gefascineerd door alles wat ik zag. Nederland was weinig verrassend. Bovendien zijn de mensen in Taiwan veel gastvrijer. Ze houden meer rekening met elkaar. Ik voelde me hier niet op mijn gemak." Terugkeerschok De expat-kinderen treft hetzelfde lot. Ook zij aarden snel in het nieuwe buitenland, maar hebben de grootste moeite om zich thuis te voelen in Nederland. Jongeren die niet eerder of nauwelijks in Nederland woonden, blijken zelfs vergelijkbare integratieproblemen te ondervinden als complete nieuwkomers. Dat zegt student sociologie Hanneke Knoops (*?*), zelf ex-expat en moeder van een tienerdochter met aanpassingproblemen. Knoops is voorzitter van 'De Vliegende Hollanders', een vereniging voor teruggekeerde expat-jongeren. "Met name jongeren die in niet-westerse landen woonden, ondervinden problemen", zegt Knoops. "De kloof met Afrika of het Midden-Oosten is groter dan de kloof met Frankrijk. Zelf woonden wij in Irak. Mijn dochter probeert nu op school uit te leggen hoe het daar werkt - wij hebben het Irak van Saddam immers van dichtbij mee mogen maken. Haar klasgenoten snappen er niet veel van. Ze denken meteen dat zij ook wel anti-Amerikaans zal zijn. Er is veel onbegrip en dat geeft een gevoel van machteloosheid." Mede door haar eigen ervaringen raakte Hanneke Knoops geboeid door het lot van thuiskerende expat-jongeren. Samen met de UvA-studente pedagogiek Rinke de Bruin onderzoekt ze nu hoe het komt het dat de ene expatriate jongere problemen krijgt bij integratie in de Nederlandse maatschappij en de andere niet? Het antwoord denkt Knoops te vinden in het afwijkende 'culturele kapitaal' van de jongere. "Kinderen van expatriates kregen andere culturele bagage mee. Als je tussen je 12 e en je 25 e in het buitenland was, dan weet je niet meer hoe het er in Nederland aan toe gaat. Je weet niet wat hier 'normaal' is." Niet alleen het culturele kapitaal, ook het 'sociale kapitaal' speelt een rol bij de terugkeer, zo vermoedt Knoops: "Sociaal kapitaal is iemands netwerk, de mensen waarop je terug kunt vallen, mensen die je kunnen helpen bij het zoeken naar een baan of een woonruimte. Bij expat-jongeren is dat netwerk vaak dun, zeker wanneer zij in hun eentje terugkomen." Eenzaam Dhomen had niet alleen moeite met het leggen van sociale contacten, hij voelde zich ook vaak slecht op zijn gemak. Hij had eenvoudigweg geen idee wat gangbaar was in Nederland. "Zo heb ik een hele tijd staan te aarzelen of ik zou aankloppen bij mijn buurvrouw om kennis te maken. Ik wist niet of dat wel normaal was." "Ik wist niet hoe ik Nederlands moest zijn", zegt Querine van Grinsven. "Op het internaat in Den Haag trok ik erg naar de buitenlandse kinderen toe. Wij snapten meer van elkaar. Bovendien was mijn Nederlands slecht. Thuis spraken we vooral Engels. Daardoor miste ik dingen in de les. Als de leraar zei: 'pak je geodriehoek', dan dacht ik: 'wat ís een geodriehoek?' In de klas kreeg ik dan opmerkingen. Men vond dat ik me aanstelde - ik was toch Nederlandse? Maar ik wist écht niet wat een geodriehoek was." Wat het drietal echter het meest stak, is het gebrek aan belangstelling van de omgeving. Ze kwamen in Nederland aan met een rugzak vol belevenissen en ervaringen, maar niemand zat op hun verhalen te wachten. "Even vonden mijn klasgenoten het interessant", zegt Querine van Grinsven. "Maar al snel werden ze het zat. 'Daar heb je haar weer'." Carl Dhomen valt haar bij: "Je hebt een apart leven geleid, maar wanneer je dat vertelt, vinden mensen je een snob. Voor ons was het bijvoorbeeld heel normaal om personeel te hebben, zoals een kindermeisje en een kok. Maar als je dat zegt, vinden mensen je over het paard getild. Op een gegeven moment ben ik gewoon met vertellen gestopt." Onwennigheid, taalproblemen, het verhaal niet kwijt kunnen, veel expat-jongeren brengt het in een behoorlijk isolement. Zeker wanneer de familie in het verre buitenland achter is gebleven. Het is niet bekend hoeveel van de teruggekeerde jongeren aanpassingsproblemen krijgen. "De laatste jaren gaan er behoorlijk wat cowboyverhalen rond", zegt Knoops. "Je hoort nu ook steeds vaker dat het slecht zou zijn voor kinderen. Bedrijven gebruiken dat als argument om mannen alléén naar het buitenland uit te zenden. Dát is echter lariekoek." Volgens Knoops is de conclusie niet gefundeerd dat opgroeien in het buitenland slecht is voor jongeren. "Integendeel. Het kan een hele verrijking zijn. Wel is het zaak om je goed op de terugkeer voor te bereiden. Probeer met radio en televisie dicht bij Nederland te blijven. Hou contact per e-mail met ooms en tantes. Léés over Nederland voordat je teruggaat. Je kunt het gat nooit dichten. Je kunt het wel een stuk kleiner maken." Rusteloosheid Ook Stefan Mol noemt zijn reizende jeugd een verrijking. Mol is sinds twee jaar AIO Sociale Wetenschappen van de Erasmus Universiteit. Hij doet onderzoek naar het voorspellen van werkprestaties van expatriates. "Een kinderlijke fascinatie", zegt hij zelf. Hij zal niet in Nederland blijven wonen. Dat weet hij zeker. Twee keer is hij inmiddels teruggeweest in Taiwan. Na zijn promotie zal hij weer vertrekken. "Waarschijnlijk naar China of elders in Azië." Een enkele keer twijfelt Mol of hij wel gelukkig moet zijn met zijn bereisde jeugd': "Soms is het niet slecht om een beetje bekrompen te zijn. Om gelukkig te zijn met wat je hebt. Ik heb steeds het idee dat het elders beter is. Zodra het hier minder gaat, denk ik: waar kan ik naartoe?" Querine van Grinsven wordt geplaagd door dezelfde reisdrang en rusteloosheid. Zij volgt nu een vijf jaar durende studie veterinaire natuurgeneeskunde. Daarnaast heeft Van Grinsven een parttime baan als programma-assistent aan de Universiteit van Nijenrode. "Inmiddels kan ik hier vrij goed aarden. Maar na mijn studie ga ik toch weer weg. Een echt thuisgevoel heb ik nergens. Desondanks ben ik blij dat ik dit leven heb gehad. Als ik kijk naar mensen die in een dorp zijn geboren, er trouwen en uiteindelijk doodgaan, dan denk ik: dat zou ik niet kunnen en niet willen. Die rust heb ik niet. Maar anderzijds: wat heerlijk zou het zijn om die rust ooit te vinden." |
|
Effe chillen, kaaskoppen, 24-08-'04 Door Tim Overdiek |
|
Vreemdeling in Eigen Land, artikel door Miriam Mannak, zelf ook Vliegende Hollander. Dit artikel leidde tot vele nieuwe aanmeldingen en belangstelling voor de Vliegende Hollanders. Verschenen in de Sp!ts (14-04-2003). |
|
De eigenschappen van een TCK; een verslag van een lezing van international education expert David Pollock dat eerder verscheen in de Xpat Journal.
|
|